-------------
Visie

De Nederlandse samenleving en de wereld waarin deze zich bevindt, zijn door de maatschappelijke en technologische veranderingen die zich in de voorbije decennia hebben voorgedaan, in korte tijd veel complexer geworden. De samenstelling van de bevolking is in korte tijd ingrijpend veranderd, ten aanzien van de onderlinge verschillen in mensbeelden en wereldbeelden, en ten aanzien van de culturele en religieuze identiteiten daarbinnen, door de individualisering en emancipatie van grote groepen burgers, en door de toestroom van een groot aantal nieuwkomers, ondermeer arbeidsimmigranten en asielzoekers. Parallel hieraan lijkt de wereld veel kleiner te worden, door de opkomst van de moderne mondiale massamedia, en door de innovaties op het gebied van telecommunicatie, automatisering en transport, leidend tot een groeiende besef bij de burgers van de nieuwe kansen en bedreigingen die zich door de globalisering in de wereldmarkt en de wereldgemeenschap voordoen.

De sterk toegenomen complexiteit vraagt om een nieuwe visie en vernieuwde instituties, zodat de Nederlandse samenleving de grote uitdagingen waarvoor deze zich op dit moment gesteld ziet en die zich de komende decennia zullen gaan aandienen met voldoende vertrouwen en enthousiasme tegemoet kan treden. Vaak betreft dit het overbruggen of zelfs overstijgen van schijnbare tegenstellingen: tussen collectieve en eigen verantwoordelijkheden, tussen sociale cohesie en individuele vrijheid, tussen autochtone en allochtone burgers, tussen veiligheid en privacy, tussen de publieke zaak en privatisering, tussen groei en welvaart, en duurzaamheid en welzijn, tussen nationale belangen en internationale samenwerking, zoals op het gebied van de toegang tot steeds meer schaarse energiebronnen en grondstoffen, van de bescherming van de eigen werkgelegenheid en consument, en van de verantwoordelijkheid voor het milieu en de opwarming van de aarde.

De ontwikkeling van de politiek en de publieke sector loopt steeds meer achter op deze ingrijpende veranderingen, en een aanzienlijk aantal instellingen en organisaties hierbinnen is op dit moment nog niet of onvoldoende in staat om adequaat daarop in te spelen: zo denken en handelen deze vooral nog aanbodgericht in plaats van vraaggericht vanuit de verwachtingen van de burgers, en zo houden deze vast aan de organisatorische verkokering waarin afzonderlijke vakgebieden centraal staan in plaats van actief te streven naar een integrale benadering binnen de eigen organisatie en met de partners in de maatschappelijke keten.

De ontwikkeling van een civiele sector op het gebied van onderwijs en opvoeding, zorg, welzijn en sport, en cultuur, moet in de praktijk nog grotendeels plaatsvinden. Voortbouwend op het maatschappelijk middenveld vergt dit een herschikking van de verantwoordelijkheden en nieuwe vormen van samenwerking tussen burgers, professionals, directeuren en toezichthouders.


-------------